De zandhagedis heeft twee grote verspreidingskernen in Nederland: de duinen en de Veluwe. Daarnaast komt de soort verspreid voor op de Utrechtse Heuvelrug, in Drenthe, Overijssel, op enkele plekken buiten de Veluwe in Gelderland en op de oostelijke Maasoever in Limburg.

De zandhagedis is een warmteminnend reptiel. De leefomgeving van de zandhagedis moet dan ook voldoende open plekken hebben om te kunnen zonnen. Daarnaast moeten er voldoende schuilmogelijkheden zijn als bescherming tegen aanvallers en als bescherming tegen te hoge temperaturen. Voor de voortplanting zijn open zanderige plekjes nodig waar de vrouwtjes eieren kunnen afzetten die vervolgens door de zonnewarmte worden uitgebroed.

Op heideterreinen op de Veluwe en in zuidoost Nederland komt de zandhagedis vooral voor op structuurrijke droge heidevegetaties en hellingen gericht op het zuiden met een begroeiing van struikheide, bochtige smele en pijpenstrootje, afgewisseld met open zandplekken. Hij is ook te vinden in spoor- en wegbermen en open plekken in bossen en bosranden.

 

Afhankelijk van de weersomstandigheden ontwaken zandhagedissen in maart of begin april uit hun winterslaap. De mannetjes verschijnen enkele weken eerder dan de vrouwtjes en onvolwassen dieren. De voortplanting vindt plaats in mei. In deze periode gaan mannetjes actief op zoek naar vrouwtjes. Mannetjes tonen hierbij agressief, territoriaal gedrag tegenover elkaar. Na de paring zoeken vrouwtjes geschikte plaatsen op om hun eieren af te zetten. Deze plaatsen bestaan uit open, zandige plekken, waar ze een holletje graven van 5 à 10 cm diep. Het vrouwtje heeft gemiddeld zes eitjes. In twee maanden tijd worden ze uitgebroed door de zonnewarmte.

In september gaan de volwassen dieren weer in winterslaap. De jonge dieren volgen meestal in oktober. Het voedsel van zandhagedissen bestaat uit allerlei ongewervelden, zoals insecten, spinnen en wormen.

Status en bedreiging
De zandhagedis staat op de Rode Lijst in de categorie ‘kwetsbaar’. De sterke achteruitgang van de zandhagedis na 1950 is vooral veroorzaakt door het verdwijnen van leefgebieden. Tegenwoordig is vooral het verlies aan landschaps- en vegetatiestructuren in de resterende leefgebieden een bedreiging. Door het gebrek aan beheer en de invloed van vermesting, treedt vergrassing op en groeien leefgebieden dicht met struiken en bomen. De oppervlakte en kwaliteit van het leefgebied nemen af, waardoor populaties kleiner worden. Versnippering speelt ook mee in de achteruitgang. Populaties kunnen hierdoor gemakkelijk geïsoleerd raken, waardoor de kans op lokaal uitsterven toeneemt.

Verspreiding in Heiderijk
Vroeger was de zandhagedis in de omgeving van Nijmegen een heel gewone verschijning. Niet alleen in de toen veel grotere en meer aaneengesloten heideterreinen ten zuiden van de stad, maar ook binnen de bebouwde kom. Ze werden rond 1950 bijvoorbeeld geregeld gezien in tuinen van de Javabuurt. Rond 1960 kwamen de hagedissen ook voor op het rangeerterrein van de Nederlandse Spoorwegen in de spoorkuil (Veenvliet & Schoen 1994). Tijdens een onderzoek in 2000 is hij hier niet meer aangetroffen (Felix & De Goeij 2001, De Goeij & Felix 2001). Tegenwoordig komen zandhagedissen niet meer voor binnen de bebouwde kom. Hun voorkomen is beperkt tot de heide- en bosgebieden ten zuiden van de stad.

De zandhagedis komt in grote delen van Heiderijk voor, op vrijwel elk heideterrein. De spoorlijn tussen Nijmegen en Boxmeer is mogelijk het belangrijkste leefgebied. Over vrijwel de hele lengte van het tracé in Heiderijk komen zandhagedissen voor. De bermen van het spoor vormen ook een belangrijke corridor tussen de populaties op de heidevelden in de directe omgeving. Behalve langs de spoorlijn zijn veel zandhagedissen te vinden op Mulderskop, de Mookerheide, in Heumensoord en het Grüske.

Op Mulderskop is vooral het ‘halfmaanvormige heideterreintje’, gelegen tussen het voormalige goederenspoor Nijmegen – Groesbeek en de Biesseltse baan een belangrijk leefgebied. Op het open heideveld van Mulderskop komt hij minder vaak voor. Een tweede belangrijke plek op Mulderskop is het onkruidakkertje. Daar worden jaarlijks relatief hoge aantallen jonge dieren aangetroffen. Dit zandige terrein is een belangrijke locatie voor het afzetten van de eieren. Ook is er veel voedsel te vinden.

In Heumensoord zijn vooral de heideterreintjes in het uiterste noorden en de randen van het zweefvliegveld in het zuiden rijk aan zandhagedissen. Op de open terreinen rond de Vierdaagselocatie komen weinig zandhagedissen voor. Dat komt omdat be benodigde structuurvariatie hier ontbreekt. In het Heumensoord en het deel van Boswachterij Groesbeek ten westen van de Nijmeegse Baan zit waarschijnlijk één grote populatie. Via open plekken in het bos, bospaden en de spoorlijn staan de populaties van de heidevelden met elkaar in contact.

Meer geïsoleerd zijn de populaties in het Grüske en de But, op de Mookerheide en de Heumense Schans. Tussen deze populaties is waarschijnlijk minder contact omdat tussenliggende terreinen minder geschikt zijn.

naar boven